15 nov. 2021

Bernice Nauta, zaaltekst NL., Gisanne Hendriks

 Bernice Nauta

A spider named Feather has a lot to say but has no ears
06 november t/m 11 december 2021
Block C, Groningen

//

Bernice Nauta (1991) is in 2013 afgestudeerd aan KABK in Den Haag, en volgt momenteel de master F for Fact aan het Sandberg Instituut in Amsterdam. Ze woont in Den Haag waar ze deel uitmaakt van de door kunstenaars gerunde galerie Billytown. Ze organiseerde er tentoonstellingen en haar werk is in verschillende tentoonstellingen te zien geweest. Ze volgde daarnaast residency-programma’s in NIKI in Hannover (DE), Orbital Residency, Cantabria (ES) en Sundaymorning@ekwc in Oisterwijk (NL).

//

Exposities in Block C hebben niet vaak zo’n lange titel als deze: A spider named Feather has a lot to say but has no ears. De titel is bedacht door de kunstenaar en verwijst naar een mythe die zij geschreven heeft. De mythe gaat niet terug naar een ver verleden en is ook geen heersend gedachtegoed dat ontkracht moet worden. Het is een vertelling die de interne dialoog van Bernice blootlegt.1 

De mythe is geschreven naar aanleiding van een constante strijd tussen de angst om nog meer schilderijen te maken en anderzijds de sterke wil om te schilderen. Twee tegenstrijdige perspectieven die elkaar continu afwisselen. Zoekende naar een uitweg uit deze spiraal, kwam Bernice bij het idee om in de huid van een van haar angsten te kruipen; de spin. Het werk What kind of spider knows about arachnophobia? (2021) haakt in op deze gedaanteverwisseling. Bij de verwarming, rechts van de ingang van de ruimte staat een bezem tegen de muur. Tussen de bezem en de muur is een draad van oordopjes in de vorm van een web gespannen. Uit deze oordopjes komt een fragment uit het liedje Free Will and Testament van Robert Wyatt, waarin we de woorden “what kind of spider knows about arachnophobia?” horen. Spinnen kennen geen angst voor hun eigen soort. Door in de huid van de spin te kruipen, probeert Bernice de angst slim af te zijn. 

Een uitgangspunt voor de gedachtegang van het web is het hoofdstuk “Playing String Figures with Companion Species” uit boek Staying with the Trouble van de Amerikaanse Donna J. Haraway. “String Figures” zijn afbeeldingen die worden gevormd door een touw om je vingers van beide handen te draaien tot er een figuur ontstaat. Het gaat over “giving and receiving patterns, dropping threads and failing but sometimes finding something that works, something consequential and maybe even beautiful, that wasn’t there before (…)”.2 Bekende voorbeelden zijn de kop en schotel en de parachute. Haraway hanteert de metafoor van ‘string figuring’ om een non-lineaire vorm van storytelling te gebruiken. Bernice zag in het spel de vorm van het web van de spin. Ook het web wordt gevormd door knooppunten die met elkaar verbonden zijn. De spin zet het web uit en wat er vervolgens in het web verstrikt raakt wordt nauwkeurig gesorteerd. Deze manier van werken vertaald Bernice naar het schilderen en noemt het “brainless painting” of “non-identity mode of thinking”. Een houding die vrij is van vroegtijdig oordelen.

Praten met Bernice is als het lezen van een boek. Met grote nieuwsgierigheid verdiept ze zich in uiteenlopende verhalen over mensen, dieren, gewoontes, patronen, systemen, teksten, films, mythes, het alledaagse, de kunstgeschiedenis. Eigenlijk alles wat zich om Bernice afspeelt is een potentiële bron voor een werk. In deze nieuwsgierigheid ligt de sterke wil van de kunstenaar om te maken. Soms is ze aangetrokken door een zin of door een manier van kijken die ze vervolgens verwerkt in een van haar personages of in haar objecten. Als de eigen gecreëerde wereld van een nieuw personage zich ontvouwt, openen er continu deuren naar nieuwe verhalen die binnen die wereld passen. Wat de aanleiding was of hoe het is verwerkt is niet altijd terug te zien. Met deze verhalen lijkt Bernice constant manieren te zoeken om zich te verhouden tot de wereld en het aanpassingsvermogen te rekken om continu iets of iemand anders te zijn. Zoals nu het geval is bij de spin. 

Benny Snouta – dat klinkt als Bernice Nauta zodra je het uitspreekt – Figure T, Skia en Schelm gingen Feather voor. De personages creëert Bernice door delen van haar eigen biografie in te zetten en fictie te gebruiken om de personages vorm te geven. De mythes zijn de verhaallijn rondom het personage. De naam Feather is geïnspireerd op het Franse woord nom-de-plume, waarmee wordt gerefereerd naar de schrijfveer die men vroeger gebruikte. Met Feather refereert de kunstenaar dus naar spin als pseudoniem. Bernice heeft het verhaal van Feather ingesproken en is te horen bij de sculptuur die dezelfde naam draagt als de expositie: A spider named Feather has a lot to say but has no ears. Je hoort het verhaal zachtjes onder de bakstenen vandaan komen, uit het spinnenweb dat wederom gevormd is door oordopjes. 

Soms gebruiken kunstenaars elementen uit hun biografie om een beeld neer te zetten van zichzelf of wordt een verhaal continu bevestigd doordat mensen erover schrijven (zoals ik nu ga doen). Een van de bekendste voorbeelden in de kunstwereld is de mythe rondom Joseph Beuys. Het verhaal gaat dat Beuys als militair in de Tweede Wereldoorlog met een vliegtuig is neergestort in het gebied van de Tartaren die door Oost-Europa en West-Azië trekken. Zij zouden Beuys hebben gevonden en vervolgens ingewreven hebben met vet en omhuld met vilt om zijn lichaamswarmte te behouden tegen de kou. Materialen als vet en vilt keerden later regelmatig terug in zijn werk en benadrukten zijn idee over het energieveld in de sculpturen.3 Of het nu waar is of niet, doordat het verhaal beïnvloed ons idee van Beuys. 

Bernice zag dat het inzetten van de biografie een veel gehanteerde strategie is in de beeldvorming van de kunstenaar als persoon.4 Zij zet de elementen van haar biografie in om juist te ontsnappen van het eenzijdige beeld van de persoon. De ambiguïteit staat centraal in haar werk. De verschillende personages die in Bernice haar werk voorkomen belichten allen een ander aspect. En zijn dus soms tegenovergesteld. Ieder personages heeft een eigen leefwereld en identiteit. 

De sculpturen zijn vaak een combinatie van verzamelde en gevonden objecten die aangepast zijn op de ruimte waarin ze worden getoond. In de tekeningen en schilderijen zien we veelvuldig de mensfiguur terug. Zoals Feather (2021), het meest centrale werk in deze expositie. De tekening is iets groter dan levensecht en draait in een uur rond in de ruimte. Voor het oog is deze beweging bijna niet te zien. Met het ronddraaien lijkt het alsof de figuur de ruimte scant en tegelijkertijd zou het de spiraal kunnen voorstellen waarin Bernice vastzat. 

Mijn eerste reactie was dat de vorm van de figuren doet denken aan de Egyptische afbeeldingen uit de oudheid. In Bernice haar tekeningen is het gezicht vaak van de zijkant te zien, en het lichaam van voren waarbij de voeten naar buiten staan. Anders dan de afbeeldingen uit de oudheid, hebben de tekeningen van Bernice ietwat onbeholpen ledematen en de benen, voeten en ogen zijn vaak niet in verhouding. We zien figuren met lange en korte ronde armen, puntige en smalle ogen. De handen zijn afgebeeld zoals wanneer je als kind net begint met tekenen; een versimpelde vorm en vrij intuïtief. Bernice is in haar tekeningen en schilderijen vaak op zoek naar die vluchtige trefzekerheid om de karakters vorm te geven. Voor haar is het belangrijk dat de figuren een treffende indruk achterlaten. Een wankele arm geeft haar personage een specifiek karakter. Het karakter van de personages is dus leidend haar manier van tekenen en schilderen. 

Zelf zegt Bernice dat de figuren raken aan het zelfportret en tegelijkertijd op zichzelf staande figuren zijn. Soms zijn ze alleen te zien en soms samen. In de expositie zien we meerdere werken waarbij we twee figuren zien in verschillende situaties. In het schilderij I and eye (2021) zien we de rechterfiguur een hand voor de ogen doen bij de linker figuur. Los van deze twee poses is er geen duidelijk onderscheid tussen beide. Wie neemt wie eigenlijk bij de hand? Het antwoord is misschien niet eenduidig, net als de verschillende perspectieven die in de personages naar boven komen. Het is een continu spel tussen de personages en Bernice. 

Het schilderij Whiffle, dat boven de witte deur is te zien, is abstracter dan tekeningen en schilderijen zoals I and Eye. Het doek is volledig gevuld met een blauwe kleur. Op de bovenkant van het doek is een veer gemonteerd, die een schaduw op het blauwe vlak werpt. 

Degene die de lijst van werken in de expositie in Block C heeft bekeken viel het misschien op dat dit schilderij al in 2019 gemaakt is. Kenmerkend voor Bernice is dat ze de vrijheid neemt om nieuwe betekenissen toe te voegen aan reeds bestaande werken. En om deze bestaande werken toe te voegen in een nieuwe serie, waardoor het een ander karakter krijgt. Dat is op zich niets vreemd in de kunst, omdat kunstwerken regelmatig in een andere context worden getoond samen met andere kunstwerken (van andere kunstenaars) of in een andere ruimte. De betekenis van een werk verandert per definitie met de tijd, door de omgeving en de interpretatie van de beschouwer. Bernice gebruikt het gegeven van verandering en past het bewust toe in haar eigen werk. Zelf zegt ze hierover dat de mythe als het ware een lijm is die de selectie van werken een nieuwe betekenis geven. In deze manier van werken ligt het onvoorspelbare, die het tegelijkertijd zo interessant maakt. 

Wat volgens mij een belangrijk uitgangspunt is voor het aan elkaar lijmen van een verhaallijn is de “trouble,” het woord uit de titel van Haraway’s boek wat ik passend vind voor Bernice haar werkwijze. Eerder deed Bernice dit al in de serie Im Wald uit 2019. In deze serie is ze op de vlucht voor de zelfgecreëerde personages, omdat ze het gevoel had continu vast te zitten in de logica rondom de personages. Ze ervaarde dat het steeds moeilijker werd om haar nieuwe werken in de wereld van een personage te voegen.5 Juist dat gevoel van blokkeren en vervolgens willen vluchten is terug te zien in de rode draad van de verhaallijn. 

In deze expositie is het de angst voor het schilderen die deels voortkomt uit de beladenheid van de schilderpraktijk. In een van die verborgen ruimtes in de expositieruimte is de sculptuur Learning to Become Something (stop painting) te zien. De sculptuur is onderdeel van een serie waar ze sinds twee jaar aan werkt. We kijken door de emmer en zien twee tubes voor een boek staan met de titel Stop Painting. Het boek is geschreven door Peter Fischli (ook wel bekend als lid van het kunstenaarsduo Fischli en Weiss) en bespreekt vijf momenten in de kunstgeschiedenis waarin de schilderkunst ‘dood’ verklaard is. De schilderkunst is vele malen bediscussieerd, opgehemeld en weer onderuitgehaald. Op een vrij luchtige, droge manier haakt Bernice in op dit thema. De tubes verf leren over de praktijk van het schilderen, waardoor het lijkt alsof Bernice haar handen ervan aftrekt. De verf doet het werk.

De “trouble” is een thema dat steeds terugkeert in het werk van Bernice, omdat het zo’n belangrijke en specifieke drijfveer en inspiratiebron is. Met deze tentoonstelling probeerde ze het gevoel te belichamen en vast te leggen met metaforen als de spin, het web en de veer. 

Gisanne Hendriks, November 2021


1. Voor de tekst heb ik gebruik gemaakt van gesprekken met Bernice en onze emailwisselingen.
2. Donna J. Haraway. “Playing String Figures with Companion Species”. Staying with the Trouble, Duke University Press, 2016, 10.
3. Caroline Tisdall. Joseph Beuys. New York: The Solomon R. Guggenheim Foundation, 1979, 10-12.
4. Jorik Amit Galama. “‘Missing /Vermist: Benny Snouta’ - Studio visit #6: Bernice Nauta.” 24 september 2019. http://www.metropolism.com/nl/features/39309_studio_visit_6_bernice_nauta
5. Idem.