30 nov. 2020

Mirjam Veldhuis zaaltekst Gronings Rood

Gronings Rood

Begin 2018 kreeg ik de beschikking over een partijtje klei van de firma Strating, gevestigd in Nieuwe Pekela. Het was een mix. Er was rauwe klei, zo uit de groeve en met een shovel in mijn bestelbusje gedropt, en een partijtje afgekeurde nog ongebakken bakstenen van de loopband gepikt omdat ze de kwaliteitseisen niet doorstonden.

Ineens vielen er een paar dingen samen; mijn liefde voor de intens oranjerode kleur van Groningse baksteen, mijn behoefte om weer eens groot te gaan werken - ik dacht er direct aan om beelden te maken die minstens zo hoog waren als ik zelf, en ik kon dan meteen mijn manier van werken, met veel nadruk op de huid, in dit materiaal vastleggen. Ik besloot dit eenvoudigweg te gaan doen tot deze enorme schep groengrijze klei op was. 

Mijn liefde voor de kleur van Groningse baksteen is in mij geplant toen ik in 1980 als student aan Academie Minerva begon met als specialisatie keramische vormgeving. Meteen al in de eerste maand werden wij -de vier eerstejaars- door onze docent Kees van Renssen meegenomen naar een van de steenfabrieken op het Hoogeland, waarvan er toen nog meerdere in gebruik waren. We zagen toen zo'n ellipsvormige steenbakkersoven in bedrijf. We liepen met de ovenmeester bovenop de oven, terwijl hij met een haak kleine metalen pudtdeksels optilde om met het blote oog aan de gloed in de oven te zien of die al op temperatuur was. We zagen steenbakkers aan de ene kant ongebakken stenen inladen en aan de andere kant gebakken stenen uitladen. Zware fysieke arbeid, gelooide koppen van eigenlijk nog jonge mannen. Continu bedrijf. Ik kan me gek genoeg niet meer herinnereren waarmee gestookt werd. Hout? Kolen? zeker geen gas.

Terug in de stad viel me ineens op hoeveel gebouwen opgetrokkek waren ut deze bakstenen en hoe mooi ze in de najaarszon konden opgloeien. het leek wel een soort complot. Overal dat oranjerood in diverse tinten. vaak onderin een pand een laag donkere gesinterde bakstenen, lava-achtig. Die hadden dicht bij het vuur in de oven gestaan, wist ik inmiddels. En ook deed dit materiaal iets met licht en schaduw. Direct zonlicht bracht elk relief in het oppervlak, hoe miniem ook haarscherp in beeld. Korom ik was in love. Die liefde is nooit helemaal weggegaan, maar het duurde tot 2018 voor ik me er aan over kon geven..

Want nu had ik dus die klei. Ik ging aan de slag, droogde, verpulverde en weekte de klei weer in. In de rauwe klei kwam ik van alles tegen. Koeien- of schapentanden, hulzen van hagel of kogelpatronen, veel plantaardig materiaal en -heel vreemd- cementresten. Ook was de klei verre van gelijkmatig. Bijna blauwige bonken zaten tussen de meer groene massa. De afgekeurde bakstenen hadden waarschijnlijk een flinke coating van ijzeroxide gekregen vlak voor ze uit het productieproces waren genomen.

Mijn eerste stookproeven zagen er goed uit. Mooi rood. maar ging je groter werken dan vervormde het materiaal soms dramatisch. Met een beetje experimenteren vond ik de ideale stooktemperatuur. Alles werd prachtig oranjerood met een mooi droog uiterlijk.

Nu heb ik een serie beelden waarin ik mijn voorliefde om het maakproces tastbaar te maken heb kunnen botvieren. Dat ging fantastisch met deze heerlijke plastische vette klei. Het mooiste zijn ze als ze in de volle zon staan. Ze lijken het licht te absorberen en weer uit te stralen. 

Als maker heb je soms de neiging je beelden als bezielde objecten te zien. Je reinste animisme eigenlijk. Toch heb ik dat gevoel als ik ze zie staan en er naar toeloop, er tussen doorloop, op ooghoogte elke kleurschakering zie, me buig om mijn hand op de paar kleinere beelden te leggen, hun ruwe huid voel, de bewegingen die ik maakte toen ze ontstonden na te voelen. Ze zijn er en ze gloeien.

Mirjam Veldhuis, mei 2020